Beetje bij beetje ontworstelen aan schaamte en schuld

Therese Bravenboer bij de informatiestand van Revief; in haar handen het boek Kostbaar As (2017), door haar geschreven onder het auteurspseudoniem Theresia Stiller. (foto: Janny van den Ende)

Ik hou niet van sprookjes. Ik vind ze vaak eng of ongeloofwaardig. Maar toch geloof ik in één sprookje wel. Eén specifiek sprookje. Nog steeds. Ik geloof dat papa’s en mama’s te vertrouwen zijn. Ik geloof dat de meester mijn kind zoveel respecteert dat hij het nooit zal misbruiken. Ik geloof dat mijn buurvrouw haar kind niet mishandelt. Ik geloof dat de jeugdwerker van mijn kerk blindelings te vertrouwen is. In mijn getraumatiseerde kinderbrein heb ik daar iets heel effectiefs op gevonden. Om te blijven geloven dat de volwassene te vertrouwen is, geloof ik gewoon dat ik een slecht kind ben. Als namelijk mij dit erge wèl overkomen is, dan betekent dit dat ik een slecht kind ben. Simpel toch?!

Ik geloof als klap op de vuurpijl het sprookje dat als ik maar goed genoeg mijn best doe, mijn leven maakbaar is! Deze sprookjes wil ik heel graag blijven geloven. Daar lijkt mijn leven van af te hangen.En we leefden nog lang en gelukkig!
Maar was het maar zo simpel. Deze effectieve strategie van mijn kleine meisje heeft er voor gezorgd dat ik kon overleven. Het heeft de wereld overzichtelijk en ‘begrijpbaar’ gemaakt. Mijn innerlijke kind heeft de betrouwbaarheid van papa en mama en de wereld niet ter discussie hoeven te stellen. Maar de erfenis van dit overlevingsmechanisme is schuld en schaamte. Levenslang. Ik weet niet precies waar mijn schuldgevoel begonnen is. Waar mijn schaamte is ontstaan. Zou het bij mijn geboorte al begonnen zijn?

Het kind voelde zich altijd schuldig

Ik kwam samen met mijn tweelingzusje ter wereld, terwijl mijn broertje 10 maanden oud was. Mijn moeder gilde het uit tijdens de bevalling. Wij de volgende 6 maanden. Mijn radeloze moeder had nu drie huilende baby’s. Ben ik me daar al schuldig gaan voelen over het lot van mijn moeder? En mijn schaamte? Is die ook daar ontstaan? In diezelfde babytijd? Tijdens het seksueel misbruik door mijn opa?
Eigenlijk weet ik het verschil niet zo goed tussen schuld en schaamte. Natuurlijk kan ik de definitie opzoeken in het woordenboek. Maar in mijn getraumatiseerde hoofd loopt het allemaal door elkaar. Als ik naar mijn kindertijd kijk, naar het kind dat geen grip op het leven had, dan heb ik geen idee welke van deze twee begrippen haar altijd misselijk doen zijn, altijd moe, altijd alert.
Wat ik wel weet, is dat ze het liefst onzichtbaar wilde zijn. Dat ze met een verontschuldigende glimlach zich in allerlei bochten wrong. Zij wist, haar hele wezen wist dat ze fout was. Ze was stiekem, achterbaks en had het achter de elleboog. Ze schaamde zich altijd. Ze voelde zich altijd schuldig.
Dit kind trekt de conclusie dat als papa en mama elke keer boos op haar zijn, dat zij het leven van papa en mama dus blijkbaar moeilijk maakt. Mijn kleine meisje gelooft dat zij schuldig is aan het ongeluk van haar vader en moeder. Ondertussen adoreert dit kind haar vader. Zoals trouwens iedereen in het gezin. Haar vader is iemand waarvan je trots zegt dat het jou vader is! Nee, de fouten liggen bij haar. Zij is een slecht kind. Bang en dom. Als zij maar anders kon zijn, dan zouden papa en mama haar wel waarderen. Schaamte en schuld vermengen zich hier tot een kluwen.
En mijn jeugd wordt erdoor verziekt. Ik durf mijn mond nauwelijks open te doen, uit angst voor mijn heftig blozen. Van buiten lijk ik een gewone tiener, van binnen schuifel ik omzichtig door het leven. Ik trouw met de eerste de beste die aardig tegen mij doet en krijg kindertjes. Eventjes lijkt het leven me toe te lachen. Ik ben een goede moeder vind ik zelf.

Maar dan…

Maar dan wordt mijn dochtertje van vier misbruikt door haar opa. En iedereen roept; ‘Hoe kan iemand dat nou doen! Ik snap er niks van! Hoe kan je nou een klein kind misbruiken!’ En ik, die mijn eigen geschiedenis diep weggestopt heb, ik realiseer me dat ik het mechanisme snap. Dat ik beangstigend goed kan begrijpen dat een volwassene een kind misbruikt. Ik vertel het natuurlijk aan niemand en schaamtevol verban ik de onrust naar een uithoek van mijn geest. In die verwarrende tijd krijg ik ook een buitenechtelijk kind. Mijn leven staat op z’n kop. Wat voor vrouw ben ik, wat voor moeder? Schaamte en angsten nemen mijn leven over. Ik voel me schuldig over mijn bestaan.
Ik heb geen andere keus dan hulp te zoeken. Ik verlang ernaar te leven. Bevrijd te zijn van de oeverloze schaamte. Ik wil leven zoals het bedoeld is. Niet meer verdrinken in angst en verwarring. Niet meer iedereen wantrouwen. Of me gedragen als een hoer. Dus ga ik schoorvoetend in therapie.
Daar, in die tijd, kwam de pijn vrij die ik zo goed verstopt had. Daar bleek ik DIS te hebben (toentertijd heette dat nog een meervoudige persoonlijkheid Stoornis.) Daar in therapie moest ik gaan kijken naar mijn kleine meisje, waarvan ik zeker wist dat ze slecht en verdorven was. Het kindhoertje, wat er vast om gevraagd had! Het kind, waarvan ik zeker wist dat er iets mis mee was. Dat ze niet klopte. Ik had helemaal geen zin in dat kind.
Met de therapie kwam ook de woede. En ik schrok daar vreselijk van. Want ik wist goed dat je niet boos mag zijn. Dan ben je een slecht kind. Dat had ik thuis geleerd; ‘Eert uw vader en uw moeder.’ En ik had ook thuis geleerd dat boos zijn gevaarlijk was. Dan werd je vernietigend gestraft. Maar de woede van binnen was zo heftig. Ik kon het niet meer wegstoppen. En het zocht een uitweg. Jaren koelde ik deze woede op mijn eigen vlees; beschadigde met messen en scharen mijn bezoedeld lijf; bedekte mij met mijn schuldig bloed.

Als ik vroeger niet… had, dan was ik niet misbruikt

Maar ondertussen werkte ik wel verbeten aan de basis. Ik leerde in therapie vertrouwen tegenover wantrouwen te zetten. Maar het gevecht was zwaar, een bijna bij voorbaat verloren strijd. Ik wist immers de wereld niet te duiden. Ik snapte op geen enkele manier hoe het leven werkte. Ik had niet geleerd dat ik mijzelf kon vertrouwen. Papa en mama zeggen dat ze van je houden.Ten minste: ouders houden toch van hun kinderen? Maar blijkbaar niet als je niet vlug genoeg bent of iets niet weet of angstig bent of blonde krulletjes hebt. Dan ben je dus verachtelijk. Ergens miste mijn kind dus iets. Ergens klopte er blijkbaar iets niet met háar. Ze kon haar eigen gevoelens niet eens vertrouwen. De wereld werd daardoor heel erg onbetrouwbaar. Erger: zij was onbetrouwbaar. Chaos in mijn hoofd.
Maar ondertussen hunker ik wel naar goedkeuring, naar bevestiging. Het kind in mij, wat zich nog steeds verontschuldigt voor haar bestaan, wil ontschuldigd worden. ‘Nee lieverd, je hebt het niet fout gedaan, nee, je hoeft je niet te schamen voor je zijn.’ Maar de bevestiging waar we zo naar verlangen krijgen we natuurlijk nooit. Er is altijd wel iemand die me even niet aardig vindt.
Het meest kwetsbaar daarin ben ik met mijn kinderen. Elke keer weer voelt het alsof ze mij de schuld geven van hun pijn. Dat ik iets fout heb gedaan. Iets onvergeeflijks. Als mijn kind boos is, voelt het alsof ik in de grond zou moeten kruipen van schaamte. En dan sla ik van me af. Ik wil dit schuldige gevoel niet voelen. Gekwetst en mokkend ga ik dan uit contact. Maar ik heb de ander zo nodig! Ik verlang zo naar verbinding!
Tegelijkertijd haat ik mijn verlangen. Mijn smachten naar liefde. Want dat maakt mij veel te kwetsbaar. Ik weet; verlangen is fout. Aardig-gevonden-willen-worden nog meer. En toch lever ik mij elke keer weer uit. Met huid en haar. Om gekend te worden. Voor even bemind. Ik veracht mijn verlangen, mijn hunkering naar die arm, want als ik niet zou verlangen, dan werd ik ook niet gekwetst. Als ik vroeger niet had verlangd, was ik geen slecht kind geweest. Dan was ik nooit misbruikt.

Eventjes maar. Je houdt toch van me?

Het lijkt een goede strategie om zo te denken. Want als ik zo absoluut denk hoef ik mijn pijn niet te voelen, hoef ik het niet aan te gaan. Ik vind mijzelf liever slecht, dan dat ik mij hulpeloos weet.
Liever verleidelijk dan overgeleverd te zijn aan de ander. Liever een slecht huwelijk, dan angst voor verwerping. Ik veracht liever mijzelf, dan weten verraden te zijn. Liever zelfvernietigende haat, dan de erkenning van het onrecht wat mij is aangedaan. Zo heb ik het vroeger geleerd. Zo heb ik lang gedacht. De manipulatie van mijn moeder heeft me zo ziek gemaakt. Maar ook de smeekbede van mijn opa heeft me zo leren denken.
‘Eventjes maar’, zei hij, ‘je houdt toch van me! Ik heb het nu even nodig, de lust is te groot. Ik kan het niet meer tegen houden. Eventjes maar. Daarna zal ik weer lief zijn.’ Die smeekbede heeft mijn ziel verwrongen. Want ja, ik hield van mijn opa. Hij was de Iiefste opa van de wereld. Maar ik wist ook dat dit niet mocht. Dat dit niet goed was. Maar ik wilde dat opa gelukkig was. Ik wilde dat opa hierna weer lief was. Opa was zielig, dat wist mijn kleine meisjes verstand. De man waar ik in die tijd mee getrouwd was, was ook zielig als hij niet ‘mocht’. En door te vrijen kon ik hem weer ‘niet zielig’ maken.
In therapie leerde ik dit mechanisme herkennen. En grenzen te stellen aan mijn mans vermeende recht. Maar hij wist van geen wijken. Eiste elke keer weer zijn recht. En weer voelden we ons besmeurd en bezoedeld. Lelijk en vies. Hoerenhaar op ons hoofd. En op een dag, toen het weer eens mis was gegaan, knipten we onszelf met grote happen kaal. Opgelucht haalde we adem, en gingen over tot de orde van de dag. Maar weer bleek het niet zo simpel te zijn. Nu waren we niet alleen van binnen beschadigd, maar ook van buiten. De hele wereld kon nu zien hoe kwetsbaar we waren.
Ik had in die jaren zo vaak gesneden, buik en benen gekliefd. En geen mens die het wist. Alleen wij leefden met de pijn, weenden om de schending van ons zijn. Maar nu confronteerde ik mijn gezin. Stelde ik ze bloot aan mijn innerlijke verscheuring. Toonde ik hun mijn zieke ziel. Wat schaamde ik me. Wat was ik bang. Zo bang voor de afkeuring van mijn kinderen. Doodsbang de liefde van mijn kinderen te verliezen. Het was en is nog steeds het zwaard van Damocles dat boven mijn hoofd hangt. Het gevoel door hen gedoogd te worden. Nog even getolereerd. Elk moment kan de weegschaal doorslaan. En dan zal ik alleen op de wereld zijn.

Het offer van de kinderziel op het altaar van de macht

En ik weet, deze overtuiging zit vast op mijn vroegste zijn. De jaren van afkeuring thuis. Ik wist dat ik niet aan de verwachting van mijn ouders kon voldoen. Nooit niet. Dat onvermogen maakte dat ik geen controle had. Ik kon de wereld niet van me laten houden. Ik kon ze ook niet tegenhouden als ze me kwijt willen. Volkomen machteloos was ik daaraan overgeleverd. Oplettend keek ik altijd naar de ogen van mijn vader, en nu van mijn collega’s. Nauwlettend hield ik mijn moeder’s mond in de gaten, en nu van de buurvrouw. Want ik moet voorbereid zijn. Zijn er tekenen van de op handen zijnde afrekening? Ik bedenk allerlei afleidingmanœuvres. Ik maak grappen. Geef complimentjes. Ben behulpzaam. Vlug pratend wauwel ik wat af. Struikelend zoek ik hierin mijn weg.
We hebben altijd gedacht een verdorven klein meisje te zijn. Mooi en lief, engelachtig, maar met een verdorven geest. Verleidend. Met lichaam en ziel verkocht. En ja, natuurlijk weet ik de waarheid. Ken ik de bezwerende formules. ‘Nee, ik ben niet slecht. Enkel mijn lichaam reageerde.’ ‘Verdorven ben niet ik, maar de dader.’ Ik ken ze allemaal. Goedbedoeld hoor. En welgemeend. Maar míjn lichaam verraadde míjn geest. Mijn lijf werd medeplichtig. Hoe zou ik mijn prille kinderziel dan rein hebben bewaard? Ik ken ze allemaal, de welgemeende woorden. Het verleden achter je te laten. Het slachtofferschap los te laten. Goedbedoeld hoor. Maar het offer is wel gebracht. Het offer van de reinheid. De puurheid van de kinderziel. Op het altaar van de macht.
Het zit allemaal zo verwrongen in mijn hoofd. Soms vraag ik me af: zal ik ooit van mijzelf nog gelukkig mogen zijn? Iemand bij mij van binnen vindt van niet. Teveel leed is er gebeurd. Eens hebben we ook opgegeven. Waren we te moe om te vechten. We hebben onszelf dat nooit vergeven. En nu is rouw en schuld ons deel. Zoals een slachtoffer van het concentratiekamp, verontschuldigend voor ons voortbestaan.
En toen ik al deze gedachten, patronen en trauma’s in therapie een beetje verwerkt had, net weer een beetje grip op het leven had, vertelden mijn kinderen dat ze misbruikt waren. Door hun vader. Mijn ex-man. Onder mijn ogen. Zonder dat ik de signalen opgepakt had. Ik kon het nauwelijks verdragen. Mijn kinderen met die ondraaglijke pijn. Ik had het niet gezien. Mijn taak als moeder verzaakt, volledig gefaald als moeder. Ik had mijn kind moeten beschermen. Ik had mijn man moeten kennen. Moeten doorgronden. Ik kon de waarheid haast niet toelaten. Mijn blindheid niet aanvaarden. Mijn hele wezen blokkeerde. Het paste niet in mijn hoofd. Had ik dan twintig jaar met een leugen geleefd? Een foute man getrouwd? Hoe onbetrouwbaar moest ik dan wel niet zijn. Maar ik, ontaarde moeder, moest mijn ogen open doen voor het leed van mijn kind.

Mam, waarom heb jij niks tegen papa gedaan?

Het misbruik trok zijn sporen in ons gezin. Op een avond kwam mijn dertienjarige dochter dronken thuis. Twee biertjes had ze op. Op een lege maag. Op straat. En ze vertelde waarom ze dit had gedaan. Met een verwrongen mond. Een door pijn vervormd gezicht. Ze wilde vergeten. Even niet meer weten. Eén avond geen pijn voelen. De pijn van het misbruik. De zwaarte van de gebroken wereld. Ze wilde het even niet meer dragen. Vies en slecht voelde ze zichzelf. Niet waard om gerespecteerd te worden. Om zichzelf te respecteren. En had ze het maar nooit verteld. Dan was de familie heel gebleven. ‘Alles mijn schuld’, jammerde ze zacht. En haar klacht verscheurde onze ziel.
De andere dochter ging het liefst niet meer naar school. Huilend claimde ze me de hele dag. In die tijd wilde ik alleen nog maar krijsen. Gillen dat het klaar moest zijn. Dat ik het niet meer aan kon. Maar mijn schuld was te groot. Ik was verantwoordelijk voor het ongeluk van mijn kind. In deze krankzinnige spagaat strompelden we met z’n allen moeizaam voort.
En dan komt het Narretje in het nieuws. 50 kindertjes misbruikt. Het zet de wereld van ons gezin weer op z’n kop. De opmerkingen en de suggesties van de kinderen vliegen over tafel. ‘Castreren die zak! Levenslang opsluiten! Doodstraf invoeren!’ En als ze uitgeraasd zijn, vragen mijn kinderen: ‘Mam, waarom heb jij niks tegen papa gedaan?! Hij had je kinderen misbruikt en toen je het hoorde, bleef je aardig praten tegen hem! Je bent niet boos geweest tegen hem. Hebt hem niet verrot gescholden. Hem niet vermoord. Hoe werkt dat, mam?’
Toentertijd snikte mijn kind het alsnog uit bij de herinnering. Ze stikte alsnog in haar woorden en pijn. Ik kon niet anders doen dan haar wiegen. En bittere tranen huilen, van schuld, schaamte, en berouw. Ik zei haar dat ze me nimmer hoefde te vergeven. Maar ze had het al gedaan. Het voelde als vurige kolen, op een schuldig hoofd. Dit was een vreselijk zware tijd. En niemand snapte het. Ook de therapeut niet. De pijn, de schaamte, de strijd.
Toen mijn dochter ging praten over haar misbruik raakten we iedereen kwijt. Familie. Vrienden.Want ook de omstander schaamt zich, wil het verhaal, net zoals ik, niet weten. Het is te erg, te confronterend, te schaamtevol. We willen niet dat dit ‘onzègbaar verschrikkelijke’ kinderen overkomt en we willen niet dat er mensen zijn die zo iets weerzinwekkends doen. En zeker niet je buurman, je collega, je oom, je vriend. Iemand die je kent. Iemand die je vertrouwt. Dus doet de omstander zijn ogen dicht en raakten wij iedereen kwijt. Mijn dochter heeft vaak zó gehuild. Gezegd dat ze wilde dat ze was blijven zwijgen, dat ze de woorden terug kon nemen, doen alsof het nooit was gebeurd.

Ja, schaamte laat je zwijgen

Ik heb ook lang gezwegen. Ik had ook twijfels. Maakte ik het soms groter dan het was? Zo erg was het nou ook weer niet. Een ander heeft veel ergere dingen meegemaakt. Is het eigenlijk wel echt gebeurd? Het is ook bijna niet voor te stellen, hè! Een klein stemmetje in mijn hoofd zegt nog steeds dat mijn opa dit nooit heeft kunnen doen. Want dit doe je niet met kleine meisjes. En het was toch immers een lieve, zorgzame man? Ik zweeg ook omdat ik mijzelf en mijn verhaal haatte, omdat ik me besmeurd, vies en lelijk wist. En door het uit te spreken zou iedereen dat weten.
We zwijgen omdat we weten wat we ons op de hals halen zodra we praten! We zwijgen omdat we bang zijn voor het ongeloof van de ander! We zwijgen omdat we onze naaste geen verdriet willen doen! We zwijgen omdat we ons schamen voor onze vernedering!
Maar zwijgen maakt het verdriet en de schaamte niet minder. En het verbergen van mijn diepste gevoelens, ook voor mijzelf, kostte heel veel energie. Ik heb jaren op bed gelegen. Te ziek, te moe. Voelde me afgesloten van mezelf en van de wereld. De hele dag was ik in gevecht om controle te houden over mijn zijn, over mijn bestaan. Ik probeerde uit alle macht weer grip te krijgen over mijn leven. Ook nu ben ik daar nog vaak mee bezig. Mijn beste strategie daarvoor is boos te worden.
Als ik ook maar heel even denk dat iemand mij afkeurt, iets niet leuk vindt van mij, dan word ik gewoon boos. Dan hoef ik tenminste niet de pijn te voelen van de afwijzing. Ik hoef dan niet stil te staan bij het gevoel van mislukking. Want eigenlijk, diep van binnen, denk ik nog steeds dat de ander gelijk heeft. Dat ik een slecht kind ben. Een slechte vrouw. En dat gevoel haat ik. Daar wil ik vandaan blijven. Dus word ik maar boos.
Nog zo’n hardnekkig mechanisme is dat ik probeer nog beter mijn best te doen. Als ik nou maar beter was, slimmer, vlugger, een betere echtgenoot, een betere moeder, een betere collega, dan zou niemand boos op mij zijn. Zo zit dat in mijn hoofd. En daarmee probeer ik het gevoel van ‘ik deug niet’ op te lossen. Door nog meer mijn best te doen, hoop ik eigenlijk alsnog de liefde en bevestiging te krijgen die ik toen niet gekregen hebben. Als dat allemaal niet werkt, ga ik gewoon uit contact. Ik roep dat ik de ander heus niet nodig heb. ‘Laat maar, ik doe het wel alleen. Ik red me wel’. Ik verdring en ontken wat af. Om de pijn van mijn innerlijke kind maar niet te hoeven voelen, om maar niet te weten wat mij in mijn kindtijd is aangedaan.

Schoonwassen van binnenuit

Dat was voor mij als kind natuurlijk van levensbelang. Als ik de waarheid had toegelaten dat mijn ouders er niet voor mij waren, dat mijn opa zichzelf belangrijker vond dan mijn welzijn, dan was dat zo onveilig dat het teveel was geweest om te verdragen voor mijn kleine meisjesverstand.
Maar al deze ontsnappingsmechanismen brengen wel leed met zich mee. Het heeft jaren geduurd voordat ik grip kreeg op deze oude, destructieve patronen. Jaren therapie voordat ik het contact aan durfde te gaan met mijn innerlijke delen. Ik wilde zo graag helen. Zo graag de buitenwereld zonder wantrouwen tegemoet treden. Maar die nabijheid riep angst op. Angst om gekwetst of verraden en verlaten te worden.
Toen ik mijn nieuwe man leerde kennen wilde ik mijn binnenste niet laten zien. Ook omdat ik dacht: als hij me echt leert kennen, dan laat hij me in de steek. De schaamte voor mijzelf, de angst om gekwetst te worden, is zo ingebakken, dat ik voor het gemak de ander alvast niet vertrouw. Nog, na twaalf en een half jaar. Als ik ook maar iets van veroordeling of twijfel bij hem bespeur, dan sluit ik me gelijk af. Doodmoe word ik daar van. We huilen daar wel eens bittere tranen om. Maar we willen geen troost. Het enige wat ik wil is tijd. Tijd om te rouwen. Tijd om te huilen. Om te kunnen genezen. Om schoongewassen te worden van binnen uit.
Weet je, de schaamte zit nog steeds in mijn systeem. Nog steeds denk ik weleens dat iemand mijn slechte binnenkant kan zien. Ik veracht mijzelf bij tijd en wijle nog steeds wanneer ik niet voldoe aan de hoge eisen die ik mij zelf opleg. Dat ik weer naar therapie moet en het leven nog steeds niet onder de knie heb. Nog steeds kom ik het liefst mijn familie niet ergens tegen, omdat ik ze voor mijn gevoel te schande heb gemaakt. Ik schaam me nog steeds dat mijn kinderen in mijn eigen huis zijn misbruikt zonder dat ik het heb gezien. Maar ik heb geleerd dat ik de schaamte alleen maar kan loslaten als ik alle pijn en leugens mag voelen van mijzelf.
Ik heb lang wanhopig gezocht hoe dat dan moest. En het heeft lang geduurd voordat ik erachter kwam dat ik dan mijzelf helemaal moest aanvaarden. Met mijn pijn, met mijn meervoudigheid, met al mijn delen. En de beperkingen hierdoor. Ik moest leren dat de pijn en de angst bij mij hoorden, en dat ik, door dat te aanvaarden het hanteerbaar kon maken. Ik moest leren dat ik de diepgewortelde schaamte en schuldgevoel met liefde mag bekijken, waardoor het beetje bij beetje zijn greep op mij verliest.
Het heeft lang geduurd voordat ik doorhad, dat als ik rust wilde in mijn bestaan en in mijn hoofd, dat ik mezelf dan helemaal moet omarmen. Met een glimlach en een traan. Maar dat kost tijd en strijd. Ik kan mijn gelijk niet meer halen. Ik ga niet door de ander gezien worden. Het enige wat ik kan doen is proberen mijn verlies te aanvaarden. Ik ben als kind mijn onschuld kwijtgeraakt, en dat is wat ik mag accepteren, met alle gevoelens van schaamte en schuld die erbij horen. En dat proces mag moeilijk zijn.

Het kind in mij verlangt naar mijn onvoorwaardelijke liefde

Ze wil niet meer overschreeuwd worden. En ik wil haar niet meer zeggen dat ze flinker moet zijn. ik wil haar ook niet meer beschuldigen van stom gedrag. We leren stapje voor stapje te voelen waar onze grenzen liggen. Nee te zeggen zonder ons schuldig te voelen. Ergens in mijn proces ben ik begonnen met vrede te gaan sluiten met mijzelf. Met het kleine kind in mijzelf dat tekort kwam en wiens vertrouwen was beschaamd. Ergens in mijn proces is het kleine kind MIJ gaan vertrouwen. En samen zoeken we onze weg naar zachtheid, naar liefde en betrouwbaarheid. Samen ontworstelen we ons beetje bij beetje aan de schaamte en de schuld. Samen vinden wij het leven de moeite waard.
En misschien leven we ooit nog eens lang en gelukkig. 

Therese Bravenboer heeft dit heel persoonlijke verhaal verteld tijdens een symposium van de stichting Celevt (Centrum Late Effecten Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering) op 29 maart 2019. In die bijeenkomst gingen (ervarings)deskundigen in op het thema Schaamte en schuld bij mensen met vroege jeugdtrauma’s. Zie ook: www.celevt.nl. Het verhaal van Therese is ten behoeve van de publicatie op de website enigszins bewerkt door redacteur Paul Custers. Overname van (delen van) dit artikel is toegestaan met bronvermelding: Stichting Revief 2019. Contact daarover kan worden opgenomen met de Stichting Revief, via het contactformulier op www.revief.nl.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.